Stadsrekening 2015
PCPortal

Veiligheid

Indicatoren

 Realisatie 2014Doelstelling 2015Realisatie 2015
-1.1 % dat zich vaak of soms onveilig voelt in de woonbuurt, voor de wijken waar de gemeente samen met andere partners extra inspanningen verricht op het gebied van veiligheid<25%23%
-1.2 % dat zich vaak of soms onveilig voelt in de woonbuurt, voor heel Nijmegen<18%16,5%
-2.1 Aantal aangiften woninginbraak (pogingen)237<250141
-2.2 Aantal aangiften woninginbraak (geslaagde inbraken)600<1060537
-2.3 Aantal aangiften auto-inbraak1164<15001318
-2.4 % dat in de woonbuurt vaak overlast van jongeren ervaart, voor de wijken waar de gemeente samen met andere partners extra inspanningen verricht op het gebied van veiligheid)<20%19%
-2.5 % dat in de woonbuurt vaak overlast van jongeren ervaart, voor heel Nijmegen<13%12%
-2.6 Recidivepercentage voor zwaarste casussen in Veiligheidshuis (top-150)NB
-2.7 Aantal meldingen bij de Brandweer1351<18161485

Toelichting

De indicatoren sluiten aan bij de gewenste maatschappelijke opbrengst: een stad waarin burgers zich in hun woon- en werkomgeving en op straat veilig voelen. In zoverre relevant wordt in dit hoofdstuk per indicator ook geduid wat de betreffende indicator zegt over de grip die gemeente en veiligheidspartners hebben op doelgroepen die een groot aandeel hebben in criminaliteit of ernstige overlast. Daarbij past overigens de notie dat er nooit één-op-één een relatie valt te leggen tussen gemeentelijke inspanningen en cijfermatige resultaten. Daarvoor zijn de factoren die inwerken op criminaliteit en overlast te complex.

1.1 en 1.2. Bron: Nijmeegse Burgerpeiling

Door de tijdreeks voor onveiligheidsgevoelens in alle wijken af te zetten tegen die voor de onveiligheidsgevoelens in de wijken waar extra inspanningen op het gebied van veiligheid plaatsvinden, geeft dat een beter zicht op wat we daarmee bereiken.

Het percentage Nijmegenaren dat zich in de woonbuurt vaak of soms onveilig voelt, is de afgelopen jaren licht gedaald, van bijna 18% in 2013 naar 16,5% in 2015. Ook voor de  wijken waar extra inspanningen plaatsvinden meten we een daling: van 25% in 2013 naar 23%  in 2015.  De uitkomsten voor 2015 zijn gunstiger dan het geformuleerde doel.

2.1 en 2.2. Bron: politieregistratie

Woninginbraak behoort tot de delicten waarvan bekend is dat een relatief groot deel door veelplegers wordt gepleegd. Daarom is deze indicator ook een aanwijzing voor de mate waarin de gemeente en haar partners grip hebben op deze groep. Onderscheid tussen pogingen en geslaagde inbraken is van belang. Inspanningen   gericht op meer inbraakpreventie kunnen zich vertalen in een andere verhouding tussen het aantal pogingen   en geslaagde inbraken.

Het aantal geregistreerde woninginbraken was in 2014 fors lager dan in 2012 en 2013. In 2015 is het aantal nog verder gedaald naar 678, waardoor het aantal ten opzichte van 2012 (circa 1.450 geregistreerde woninginbraken) meer dan gehalveerd is. Het aantal voor 2015 is gunstiger dan het geformuleerde doel. Bij 21% van de in 2015 geregistreerde woninginbraken ging het om pogingen tot woninginbraak (141 van de 678).
In 2013 en 2014 was dat aandeel hoger (28-29%). In de jaren daarvoor was het ongeveer even hoog (20-23% in
2010-2012). Bevolkingsonderzoek laat zien dat het percentage dat slachtoffer wordt van een geslaagde woninginbraak daalt, terwijl het percentage dat slachtoffer wordt van een poging tot woninginbraak ongeveer gelijk blijft. Dit duidt erop dat inspanningen gericht op inbraakpreventie hun vruchten afwerpen.

2.3 Bron: politieregistratie

Auto-inbraak behoort eveneens tot de delicten waarvan bekend is dat een relatief groot deel door veelplegers wordt gepleegd. Daarom is ook deze indicator een aanwijzing voor de mate waarin de gemeente en haar partners grip hebben op deze groep.

Het aantal geregistreerde auto-inbraken daalde fors na een piek in 2013. In 2015 is het aantal (1.318)  circa 30% lager dan in 2013, maar wel weer wat hoger dan in 2014. Het aantal voor 2015 is gunstiger dan het geformuleerde doel.

2.4 Bron: Nijmeegse Burgerpeiling

Overlast van (groepen) jongeren is de meest genoemde reden voor onveiligheidsgevoelens in de woonbuurt. De gebieden waar extra inspanningen op het gebied van veiligheid plaatsvinden, zijn ook gebieden waar relatief veel jongerenoverlast speelt. En de inspanningen zijn dan ook onder meer gericht op het terugdringen van die jongerenoverlast.

Voor jeugdoverlast en vernieling/beschadiging zien we in 2015 een lager aantal meldingen dan in de jaren daarvoor. Uit eerder onderzoek weten we dat vernielingen relatief vaak door jongeren worden aangericht.
Bevolkingsonderzoek laat zien dat het percentage met de indruk dat in de buurt vaak jongerenoverlast voorkomt de afgelopen jaren vrij stabiel is (13% in 2011 en 12% in 2013 en 2015). Het percentage is iets lager dan het geformuleerde doel. Wel wordt jongerenoverlast steeds minder genoemd als een met voorrang aan te pakken stadsprobleem (in 2015 door 2% van de Nijmegenaren genoemd, tegenover 5% in 2011).

2.5 Bron: Nijmeegse Burgerpeiling

Door de tijdreeks voor ervaren jeugdoverlast in alle wijken af te zetten tegen die voor de ervaren jeugdoverlast in de wijken waar extra inspanningen op het gebied van veiligheid plaatsvinden, geeft dat een beter zicht op wat we met die extra inspanningen bereiken. Een andere reden om deze indicator op te nemen is dat niet alle inspanningen gericht op jeugdoverlast gebiedsgebonden zijn. Denk hierbij aan de aanpak van risicojongeren en jeugdgroepen via het Veiligheidshuis.

Het percentage met de indruk dat jongerenoverlast in de buurt vaak voorkomt is de afgelopen jaren vrij stabiel voor de wijken waar extra inspanningen plaatsvinden (19% in 2011, 2013 en 2015). Het percentage is iets lager dan het geformuleerde doel.

2.6 Bron: registratie Veiligheidshuis

Deze gegevens zijn nog niet leverbaar, omdat het landelijk registratiesysteem waarmee in het Veiligheidshuis wordt gewerkt geen managementinformatie genereert. Landelijk is er nog geen overeenstemming over een eenduidige definitie van het begrip recidive. Daarom hebben we er in 2015 voor gekozen om een kosten- batenanalyse te laten uitvoeren om een indicatie te krijgen over de efficiëntie van het Veiligheidshuis. De resultaten hiervan zijn begin 2016 beschikbaar.

2.7 Bron: registratie Brandweer

De afgelopen jaren zagen we een bestendige daling van het aantal incidenten: van 1766 in 2010 naar 1351 in 2014. Het aantal incidenten lag in 2015 met een totaal van 1485 voor het eerst sinds het begin van dit decennium hoger dan het jaar daarvoor. De belangrijkste oorzaak: de weersomstandigheden, waardoor de brandweer vaak moest uitrukken vanwege wateroverlast.  Niettemin bleef de brandweer ook in 2015 significant gunstig scoren ten opzichte van de doelstelling. Overigens ligt de doelstelling vanaf 2016 op <1560. Ook daar zit het totaal incidenten in 2015 nog ruimschoots onder.